Begrippen

Op deze pagina kunt u zoeken naar begrippen uit het boekje. Type hieronder een woord waarop u wilt zoeken en klik op zoek. Vervolgens krijgt u een overzicht van de begrippen waarin het door u gezochte woord voorkomt. Als het woord in meer dan 10 begrippen voorkomt worden slechts de eerste 10 getoond. Mogelijk moet u dan een ander zoekwoord proberen. Ook kunt u op één van de letters hieronder klikken om alle begrippen, die met die letter beginnen, te tonen.

 

# A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 



Kaderbrief
(begrip uit de zorgsector)
Een kaderbrief is een notitie waarin de beleidsuitgangspunten van een begroting worden weergegeven. Tevens worden, op hoofdlijnen, de uitgangspunten voor de financiën voor het komend jaar geschetst.


Kapitaal
Kapitaal is (in de bedrijfseconomie) in essentie de passief zijde van de balans. Daarbij gaat het alleen om het eigen deel van het vermogen (het eigen vermogen). Marco economisch wordt de term Kapitaal gebruikt om een productiefactor aan te duiden naast grond en arbeid (de actief zijde van de balans).


Kapitaaldienst van de begroting
(begrip uit de overheidssector)
Op de kapitaaldienst van de begroting worden de uitgaven opgenomen die geen lasten zijn. Zie ook de Gewone dienst van de begroting.


Kapitaalintensieve productiemethode
Productiemethode waarin veel productiemiddelen worden gebruikt en daarmee veel vermogensbeslag heeft. De nadruk ligt op de productiefactor kapitaal. Vooral de industrie is kapitaalsintensief. Zie ook Arbeidsintensieve productiemethode.


Kapitaallasten
De lasten, zoals afschrijvingen en rentekosten, die direct verband houden met het eigen vermogen of het vreemd vermogen.


Kapitaalmarkt
Markt waar vraag en aanbod van kapitaal voor lang vreemd en permanent vermogen elkaar ontmoeten. Samen met de geldmarkt vormt de kapitaalmarkt de vermogensmarkt.


Kapitaalstructuur
De kapitaalstructuur van een onderneming is een indicatie van de wijze van financiering. Een onderneming kan zichzelf in grote lijnen financieren met kapitaal of met schulden waarbij ze de kosten voor beide zal proberen te minimaliseren. Een ratio van schuld ten opzichte van alle activa in een onderneming kan worden gebruikt als een indicator van de kapitaalstructuur van een onderneming.


Kas
Betalingsmiddelen. Omvat onmiddellijk beschikbare bank- en girotegoeden.


Kasgeldlimiet
(begrip uit de overheidssector)
Dit is een begrip uit de Wet financiering decentrale overheden. Daar wordt kasgeldlimiet gedefinieerd als een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar.

De kasgeldlimiet is het maximum bedrag waarvoor de gemeente middelen mag aantrekken op de geldmarkt. De middelen worden aangetrokken bij de huisbankier van de gemeente, de NV Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). De grootte van de kasgeldlimiet is afhankelijk van het begrotingstotaal van de gemeente aan het begin van het dienstjaar.


Kasstelsel
Bij het kasstelsel is het moment van uitgeven of ontvangen van gelden bepalend voor het moment waarop een post wordt opgenomen in de verantwoording (bijvoorbeeld begroting). In het boekhoudstelsel wordt de winst bepaald door het verschil in opbrengsten en kosten. Zie begrotingsstelsel.


Kasstroom
De kasstroom van een jaar omvat ontvangsten minus uitgaven oftewel de in- en uitgaande geldstromen. Hierbij gaat het om de werkelijke geldstromen. Zie ook Cashflow en Kasstroomoverzicht.


Kasstroomoverzicht
Overzicht van de feitelijke geldstromen die in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en van het gebruik dat van deze middelen is gemaakt. In dit overzicht wordt onderscheid gemaakt in operationele activiteiten, investeringsactiviteiten en financieringsactiviteiten. Dit wordt ook wel staat van herkomst en besteding der middelen genoemd. Zie ook Cashflow en Kasstroom.


Kengetal
Een kengetal wordt ook wel kerncijfer, ratio, verhoudingsgetal of prestatie-indicator genoemd. Ook wordt in verschillende theorieën een onderscheid gemaakt tussen ken- en stuurgetallen. Kengetallen worden ingezet vanuit een diagnostische invalshoek. Stuurgetallen wordt ingezet om vanuit een nulsituatie en bijbehorende streefwaarden de richting van het beleid aan te geven. Zowel ken- als stuurgetallen geven de verhouding weer tussen twee of meer grootheden. Een kengetal kan daarmee zowel een absoluut getal als een verhoudingsgetal zijn.


Kernvermogen
Het aandelenkapitaal plus de reserves van een onderneming. Deze term wordt alleen in de financiële sector gebruikt.


Ketenzorg
(begrip uit de zorgsector)
De bedoeling van ketenzorg is dat de zorg goed op elkaar is afgestemd. Bijvoorbeeld van eerste lijnszorg naar tweedelijnszorg en andersom. Bijvoorbeeld als iemand uit een ziekenhuis weer naar huis gaat en daar verzorging behoeft en dat krijgt.


Koers
Prijs die voor een effect (aandeel, obligatie) genoteerd wordt.


Koers-winstverhouding
Met dit kengetal wordt duidelijk hoeveel maal de winst per aandeel moet worden betaald om dat aandeel te kunnen kopen. Dit is sterk afhankelijk van het moment en de beurs waar het aandeel staat genoteerd. Daarmee is het meer een verwachting die de beleggers hebben ten aanzien van de resultaten van de onderneming. Concreet geeft het kengetal inzicht in hoeveel geld beleggers willen betalen voor één euro jaarlijkse winst.

Koers-winstverhouding = aandelenkoers

netto winst per gewoon aandeel






Kosten
De term kosten kan in verschillende betekenissen voorkomen omdat het in de verschillende vakgebieden (bijvoorbeeld externe en interne verslaglegging, juridisch, kostencalculaties) verschillende wordt gedefinieerd. Het gaat veelal om de opgeofferde waarden in een organisatie. Hiermee wordt bedoeld alle bestedingen in een organisatie maar ook alle middelen die verloren gaan, gebruikt worden, et cetera, bedoeld om opbrengsten in een organisatie te genereren. Kosten vormt een begrippenpaar met Opbrengsten.


Kostencalculatiesystemen
In zijn algemeenheid is er een driedeling te maken in systemen/methoden om kosten te calculeren. De systemen zijn verschillend op basis van de wijze waarop de kosten worden toegewezen aan kostendragers en de verfijndheid van het systeem:
  • variabele kostencalculatiesystemen (direct costing of marginale kostencalculatie);
  • traditionele integrale kostprijsberekeningsystemen (absorption costing, commerciŽle kostprijs of standaardkostprijs);
  • activity-based costing-systemen (ABC).



Kostencentrum (cost pool)
Dit is een verantwoordelijkheidscentrum waarin medewerkers kosten beheersen, maar de opbrengsten of het investeringsniveau niet beheersen. De prestaties worden geëvalueerd door de werkelijke kosten van het centrum te vergelijken met de beoogde of standaardkosten voor de hoeveelheid en het soort werk dat wordt verricht.

Een verantwoordelijkheidscentrum geeft aan in welke mate de manager van dat centrum opbrengsten, kosten, winst of rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen beheerst. Accountants (en in lijn daarmee ook anderen) delen verantwoordelijkheidscentra in vier typen in: kostencentra, opbrengstencentra, winstcentra en investeringscentra. Deze centra kunnen werkmaatschappijen zijn of onderdelen van werkmaatschappijen. Daarnaast kunnen deze onderdelen meer of minder bevoegdheden hebben.


Kostendekkingsgraad
Vaak kan vanuit de exploitatierekening (rekening van baten en lasten) worden vastgesteld in hoeverre de gemaakte kosten worden gedekt door opbrengsten.


Kostendrager
Een activiteit waarover kosteninformatie wordt verzameld en waar een gebruiker van de financieel-economische informatie iets over wil weten. Meestal is een kostendrager een product, maar in principe kan een kostendrager alles zijn waarvoor de bepaling van de kosten gewenst is. Voorbeelden zijn: de kosten van een product of de dienst aan een klant of de kosten van een locatie.


Kostentoerekening
Een verdeling van de kosten die voor producten zijn gemaakt. Deze kosten kunnen op verschillende wijzen worden toegerekend aan (meestal) de kostendragers (of kostenplaatsen). Dit wordt ook wel kostenverbijzondering genoemd.


Kostenvoet voor het eigen vermogen (cost of equity)
Deze kostenvoet (of rendement) bestaat uit twee elementen:
  1. een risicovrije voet
  2. een risicopremie
De kostenvoet van het eigen vermogen kan worden uitgelegd als een zogenaamde opportunity cost. Een investeerder heeft meerdere alternatieven voor het beleggen van zijn vermogen. Het kiezen voor het ene alternatief betekent dat hij het mogelijke rendement op het alternatief misloopt.


Kostprijs
Kosten berekent per eenheid product.
> Integrale kostprijs: alle kosten (de vaste en variabele kosten) worden in de berekening opgenomen.
> Variabele kostprijs: er wordt alleen gekeken naar de variabele kosten, bijvoorbeeld ingeval van extra productie bij dezelfde vaste kosten.
> Standaardkostprijs: hierbij wordt bij de berekening van de kostprijs uitgegaan van standaardhoeveelheden en standaardprijzen.


Kredietrisico
De kans dat banken verlies leiden op aan particulieren verstrekte leningen door het niet nakomen van verplichtingen van de debiteur ten aanzien van rente en aflossing, bijvoorbeeld door faillissement. Het kredietrisico behoort tot de risico’s die worden beoordeeld bij het uitoefenen van het bedrijfseconomisch toezicht.

Het kredietrisico wordt ook gebruikt als term om aan te duiden dat er een risico is dat een debiteur zijn schulden niet kan betalen.


Kwaliteitskosten
Kosten die bestaan uit de som van de kosten om de kwaliteit te verbeteren of te handhaven en de kosten wegens het ontbreken van voldoende kwaliteit. Onderzoek toont aan dat dit ongeveer 5 tot 10% van het omzetcijfer is. Er zijn drie hoofdcategorieën:
  1. Preventiekosten: kosten om te voorkomen dat een prestatie afwijkt van de norm, bijvoorbeeld kwaliteitsplanning, training, procesbeheersing.
  2. Beoordelingskosten: kosten die worden gemaakt om afwijkingen op te sporen, bijvoorbeeld controlesystemen, inspecties en daarnaast faalkosten. Dat zijn de kosten die worden gemaakt om afwijkingen te verhelpen, bijvoorbeeld uitval, herstel en wachttijden. In dit geval voorbeelden van interne faalkosten.
  3. Faalkosten: kosten die worden gemaakt om afwijkingen te verhelpen, bijvoorbeeld uitval, herstel en wachttijden. In dit geval voorbeelden van interne faalkosten. Boetes, garanties, imagoverlies zijn voorbeelden van externe faalkosten.